3e8.nl

Kennis

Leestijd: circa 5 minuut.

1 Kennis kent vormen

❱Wat je ongetwijfeld al gemerkt hebt bij natuurkunde, kennis komt in laten we zeggen verschillende smaken. Je kunt kennis hebben van: (a) feiten; (b) concepten, (c) procedures, en van (d) metacognitie. Ik geef je een uitleg aan de hand van het domein D1 elektrische systemen.

1.1 Feiten

Je weet wat de symbolen $R$ en $U$ voorstellen. Je kunt een parallel- van een serie-schakeling onderscheiden, je weet dat een lamp niet de wet van Ohm volgt en een ideale weerstand wel, dat een voltmeter een grote weerstand heeft en amperemeter een kleine weerstand, dat je een kortsluiting herkent en dat je weet wat de wetten van Kirchhoff zijn. Feiten heeft te maken met onthouden en feiten kun je stampen bijvoorbeeld door middel van 'flashcards'.

1.2 Concepten

Een concept is een idee of een begrip. Heb je kennis van de concepten van dit domein, dan weet je hoe je kunt rekenen in een serie-schakeling met Kirchhoff, en kun je uitleggen hoe het zit met de energie in een een parallel-schakeling; kun je verklaren waarom de weerstand van een draad verandert als deze langer wordt, en dat je het aantal elektronen kunt uitrekenen met $n=Q/e$. Kortom: Kennis van de concepten gaat over begrijpen en misschien nog wel veel meer over kunnen uitleggen.

1.3 Procedures

Procedures: Je kunt in een schakeling het totale energieverbruik uitrekenen, je kunt van een weerstand uitrekenen van een draad met een gegeven lengte en dikte, je kunt breuken en andere formules omzetten, je kunt significantie op een correcte manier gebruiken, je kunt een raaklijn bepalen in een nulpunt, je kunt een plan van aanpak bedenken om een opgave op te lossen, je rekenmachine weet juist te gebruiken, je kunt in BINAS een correcte soortelijke weerstand vinden. Kortom: Als je kennis hebt van de procedures kun je laten we zeggen problemen oplossen. (Gelukkig voor het vak natuurkunde: Dezelfde procedures kom je tegen bij verschillende domeinen: grafieken hanteren (oppervlak, raaklijn, punt aflezen), significantie correct uitvoeren, je rekenmachine en BINAS hanteren, formules omschrijven, een oplos-aanpak bedenken, ...)

1.4 Metacognitie

Metacognitie: Dat wil zeggen kennis over je kennis; ofwel inzicht in wat je goed kunt en wat je nog moet leren.

Dat kan zijn op het niveau van de stof: Bijvoorbeeld dat je met serie- en parallel-schakelingen prima kunt werken en dat je nog moeite hebt met vermogen en rendement.

Metacognitie betekent ook bijvoorbeeld weet dat je een prima rekenaar bent bij opgaves, maar dat je niet weet hoe je moet beginnen. Of dat jij toevallig niets leert van mindmappen, maar dat jezelf overhoren voor jou erg efficient is. Dat je dus weet welke manieren van leren voor jou goed zijn.

Kortom: Als je kennis hebt van je eigen (en hoe je tot die kennis komt) dan ben je beter in staat om je eigen leren te sturen. En is buitengewoon handig.

2 Examenwerkwoorden

Hoewel niet door Bloom zo benoemd, inzicht in de hiërarchie van leervaardigheden kom je ongeveer tegen bij de zogenoemde examenwerkwoorden in de bijlage 3 van de syllabus. Ik heb hieronder geprobeerd ze te rangschikken van een hogere leervaardigheid naar een lagere leervaardigheid.

werkwoord omschrijving
Afleiden van bijvoorbeeld formule of eenheid Het geven van een redenering waaruit de juistheid van de formule of eenheid volgt uit de gegevens en/of formules in de opgave en/of met behulp van toegestane hulpmiddelen, gebruik makend van wiskundige bewerkingen, zoals combineren, herschrijven en substitueren. Uit de uitwerking moet blijken welke stappen zijn gezet. De formule controleren door middel van een of meer getallen of het invullen van eenheden voldoet niet.
Beredeneren, uitleggen Het geven van een uitwerking waarin de denkstappen staan, waaruit het gestelde/gevraagde blijkt.
Construeren Het geven van een grafische voorstelling die de voor de probleemsituatie relevante karakteristieke eigenschappen bevat met een nauwkeurigheid die overeenkomt met de in het correctievoorschrift aangegeven marge. Uit de uitwerking moet blijken welke stappen zijn gezet.
Tekenen Het geven van een grafische voorstelling die de voor de probleemsituatie relevante karakteristieke eigenschappen bevat en voldoende nauwkeurig is. In het geval van een grafiek moet een assenstelsel met schaalverdeling zijn weergegeven. Het assenstelsel moet voorzien zijn van grootheden en eenheden.
Berekenen Het gevraagde uitrekenen, uitgaande van gegevens in de opgave en/of andere informatiebronnen. Uit de uitwerking moet blijken welke formules en/of principes zijn toegepast, welke waarden zijn gebruikt en welke stappen zijn gezet.
Bepalen Het gevraagde vaststellen en/of uitrekenen uitgaande van gegevens in: een grafiek of een figuur; in de opgave of andere informatiebronnen of door het maken van een constructie. Uit de uitwerking moet blijken welke formules en/of principes zijn toegepast, welke waarden zijn gebruikt en welke stappen zijn gezet.
Aantonen dat/of Het geven van een redenering en/of bepaling en/of berekening waaruit de juistheid van het gestelde blijkt. Uit de uitwerking moet blijken welke stappen zijn gezet. In het algemeen geldt dat het gestelde controleren door middel van een of meer voorbeelden niet voldoet.
Schatten Een benadering van een waarde geven door middel van een berekening, bepaling of redenering. Uit de uitwerking moet blijken welke waarden zijn gebruikt en welke stappen zijn gezet.
Schetsen Het geven van een grafische voorstelling die de voor de probleemsituatie relevante karakteristieke eigenschappen bevat.
Noemen, (aan)geven wat, welke, wanneer, hoeveel Een eindantwoord geven. Een toelichting is niet vereist tenzij anders is aangegeven.
Tabel b.1 Examenwerkwoorden globaal gerangschikt in een volgens mij afnemende mate van leervaardigheid. Vergelijkbare leervaardigheden zijn dan: Afleiden en beredeneren; construeren, tekenen, berekenen en bepalen; dan aantonen en schatten, en volgens mij is de laagste leervaardigheid: nemen of geven. (Letterlijk overgenomen uit de syllabus vwo natuurkunde.)

3 Meer lezen?

laatste aanpassing: 21-4-2020.